Uw winkelwagentje is leeg

Winkelen

Aantal: 0

Totaal: 0,00

0

Flora en fauna uit het perm

Flora en fauna uit het perm

In deze 3D-scène leer je over de flora en fauna van de laatste periode van het paleozoïcum.

Biologie

Trefwoorden

geschiedenis van de aarde, geologische tijdperken, Perm, fossiel, levend fossiel, uitgestorven, prehistorisch schepsel, Gorgonopsia, Dicynodontia, Diplocaulus, Dimetrodon, Bjuvia, Ginkgo biloba, sigillaria, Walchia, Glossopteris, gingko, zaadvaren, Palaeozoic Era, Orthacanthus, reptiel, prehistorisch reptiel, slagtand, prooi, Naaktzadigen, Biologie, vertebrate, plant, flora en fauna, fauna, flora, synapsid, Araucaria

Gerelateerde items

Scènes

Flora en fauna

Het klimaat in de laatste periode van het palaezoïcum was warmer en droger dan tijdens het carboon. Het binnenland van het supercontinent Pangea werd steeds droger en werd gekenmerkt door woestijnvorming. Als gevolg van de klimaatverandering werd de voorheen overvloedige vegetatie steeds schaarser en verschenen er nieuwe plantensoorten. Er begonnen zich ook zoogdierachtige reptielen te verspreiden.

Het einde van het perm werd gemarkeerd door de perm-trias-massa-extinctie (251 miljoen jaar geleden). Na de uitbarsting van een supervulkaan veroorzaakten de gassen in de lucht een broeikaseffect, wat leidde tot opwarming van de aarde. Als gevolg van een gemiddelde toename van de temperatuur met 10°C stierf 96 procent van de zeedieren en 70 procent van de landdieren uit.

Gewervelde landdieren

  • Dimetrodon
  • Dicynodontia
  • Gorgonopsidae

Dimetrodons waren de grootste landroofdieren tijdens het perm. In het geslacht Dimetrodon waren er 20 verschillende soorten van 1,7 tot 4,6 meter lang. Hun rugzeil, dat bestond uit verlengde wervels en huid, werd vermoedelijk gebruikt voor warmteregulatie en communicatie.

Dicynodonten waren de meest voorkomende gewervelde landdieren met ongeveer 70 geslachten, variërend in grootte van een rat tot een olifant. Ze hadden een snavel vergelijkbaar met die van een schildpad waarachter lange slagtanden groeiden. Deze herbivoren bouwden hun nest in ondergrondse tunnels.

Gorgonopsidae waren carnivoren. Er waren 41 soorten Gorgonopsidae, waarvan de kleinste niet groter was dan een hond en de grootste ongeveer de afmetingen van een beer had. Ze hadden enorme sabeltanden waarmee ze hun prooi dodelijk konden verwonden.

Gewervelde waterdieren

  • Diplocaulus
  • Orthacanthus

Tijdens het perm leefde er in meren, rivieren en moerassen een enorm rijke fauna. Zoetwaterhaaien en grotere amfibieën stonden bovenaan de watervoedselketen. Orthacanthus was een zoetwaterhaai die qua vorm vergelijkbaar was met een paling. De haai kon drie meter lang worden.

Diplocaulus, een amfibiesoort, staat bekend om zijn unieke uiterlijk. Van kop tot staart was het dier ongeveer 1,3 meter lang, en het woog 15 kg. Door de uitstulpingen aan de zijkanten van de schedel leek de kop van het dier op een boemerang.

Planten

  • Sigillaria - Uitgestorven plantensoorten die tot de lycopsida behoorden. Deze 20-30 meter hoge plant groeide in moerassen en zijn gevorkte stam was bedekt met schubben die overgebleven waren na het vallen van bladeren. Hij had grasachtige bladeren.
  • Glossopteris - Het grootste geslacht van de uitgestorven orde van zaadvarens. We kunnen alleen maar raden hoe groot deze plant was en hoe hij eruit zag, want tot nu toe zijn er alleen fossielen van zijn tongvormige bladeren gevonden.
  • Bjuvia - Een plant ter grootte van een boom. Hij had enorme bladeren en een stam die lijkt op die van een palmboom. Hij kon een hoogte van 15 meter bereiken.
  • Walchia - Een van de vroegste naaldbomen. Hij kon een hoogte van 30 meter bereiken.
  • Ginkgo - De voorloper van de huidige ginkgo. Een volwassen boom kon een hoogte van 20-30 meter bereiken.

Als gevolg van het droge klimaat nam het aantal Sigillaria en Pteridospermatophyta (zaadvarens) gestaag af. Tijdens het perm raakten naaldbomen wijdverspreid dankzij hun vermogen om zich aan te passen aan drogere omstandigheden. Walchia was een van de prehistorische naaldbomen. De bladeren ervan waren vergelijkbaar met de naalden van Araucaria.

De Cycadales (palmvarens) konden zich ook goed aanpassen aan het klimaat van het perm en raakten eveneens wijdverspreid. De stam van deze bomen ter grootte van een palm was recht, maar sommige ondersoorten hadden een tonvormige stam. De bekendste soort ervan is Bjuvia.

Aan de kust, waar het klimaat vochtiger was, verschenen de Ginkgophyta. De enige nog bestaande soort van deze bladverliezende planten is Ginkgo biloba, die wordt beschouwd als levend fossiel.

Geleedpotigen

  • Apthoroblattina
  • Ponomarenkia belmonthensis
  • Meganeuropsis permiana

De meest succesvolle geleedpotigen in het perm waren oerkakkerlakken, bijvoorbeeld het geslacht Apthoroblattina. In deze periode verschenen de eerste kevers. In tegenstelling tot andere insecten hebben deze dekschilden (harde voorvleugels), die de vliezige achtervleugels beschermen en een vochtige omgeving bieden voor de ademopeningen (stigmata), waardoor het dier niet kan uitdrogen. Dit verhoogt hun overlevingskansen.

In deze periode verschenen er ook libellen; sommige waren even groot als de huidige soorten, maar er waren veel grotere soorten dan die je tegenwoordig ziet.

Gerelateerde items

Oost-Europese egel

De egel rolt zich op en verdedigt zich met behulp van zijn stekels.

Verschillende soorten veren

De animatie toont de belangrijkste soorten veren en hun fijne structuur.

We gaan op safari!

In deze les leer je waar op aarde savannes liggen en wat voor dieren en planten daar leven.

Chileense kluizenaar

De giftige bijt van de Chileense kluizenaar is een ernstige bedreiging voor het...

Planaria gonocephala

Een van de meest voorkomende soorten platwormen.

Meikever

De meikever is een wijdverspreid insect in Europa; De larven, die bekend staan als...

Pteranodon

Een vliegend, prehistorisch reptiel dat op een vogel lijkt, er is echter geen directe...

Drinken vissen?

In deze les leer je meer over het leven van vissen.

Added to your cart.