Uw winkelwagentje is leeg

Winkelen

Aantal: 0

Totaal: 0,00

0

Dierlijke en plantaardige cellen, organellen

Dierlijke en plantaardige cellen, organellen

Eukaryotische cellen bevatten talrijke organellen.

Biologie

Trefwoorden

cel, celorganel, celorganellen, eukaryotische, celmembraan, celwand, kern, cytoplasma, Golgi-apparaat, chloroplast, endoplasmatisch, mitochondrion, endoplasmatisch reticulum, cytoskelet, vacuole, DNA, thylakoid, plantencelwand, blaasje, Granum, extracellulaire matrix, sclerocyte, chromatine, histoneiwitten, lipidemembraan, kernmembraan, glad endoplasmatisch reticulum, RER, ribosoom, organisme, cytologie, plant, dierlijk, Biologie, _javasolt

Gerelateerde items

Vragen

  • Welke van de onderstaande groepen zijn GEEN eukaryoten?
  • Welke organel wordt beschouwd als het energiestation van de cel?
  • Welke van de volgende organellen komt NIET voor in dierlijke cellen?
  • Welke van de volgende organellen komt NIET voor in dierlijke cellen?
  • Welke van de volgende organellen komt NIET voor in dierlijke cellen?
  • Welke organel is een complex netwerk van onderling verbonden membraanblaasjes en speelt een belangrijke rol bij de synthese van eiwitten?
  • Welke organel is verantwoordelijk voor het uitvoeren van fotosynthese?
  • Waar vindt de verwerking van ongewenste materialen plaats?
  • Welke organel bevat chromatine?
  • Waar vinden de stofwisselingsprocessen plaats?
  • Is het waar dat het celmembraan slechts uit één laag bestaat en is opgebouwd uit zetmeelmolecules?
  • Is het waar dat chloroplasten worden omhuld door een dubbel membraan?
  • Is het waar dat het oppervlak van het ruwe endoplasmatisch reticulum ribosomen bevat?
  • Is het waar dat prokaryote cellen een kern hebben?
  • Is het waar dat elk dierlijke cel wordt omhuld door een celwand die gemaakt is van cellulose?
  • Is het waar dat de vacuole een belangrijke rol speelt bij het reguleren van de druk in de plantaardige cel?
  • Is het waar dat het cytoskelet zorgt voor de positionering en de beweging van de organellen in de cel?
  • Is het waar dat de mitochondriën deel uit maken van het anabolisme?
  • Uit welk materiaal bestaan de celwanden van planten?
  • Welk soort moleculen vormen de lipide dubbellaag van het celmembraan?

Scènes

Cel

  • dierlijke cel
  • plantaardige cel
  • chloroplast - Fotosynthese vindt hier plaats, d.w.z. de productie van suiker uit koolstofdioxide met behulp van zonne-energie.
  • celwand - Bestaat uit cellulose en dient ter bescherming. Behoudt tevens de celvormige structuur en verstevigt het plantaardige weefsel.
  • vacuole - Een bubbel in de cel die gevuld is met kernsap. Speelt een belangrijke rol bij het in stand houden van de interne hydrostatische druk (turgordruk) in de cel, het opslaan van mineralen en het verwijderen van afvalstoffen.
  • kern - Gemaakt van chromatine, een combinatie van DNA en proteïnen. Dierlijke cellen, planten en schimmels zijn eukaryoten omdat ze een nucleus (kern) bevatten. Prokaryote cellen (bacteriën) hebben geen kern; hun DNA vinden we terug in het cytoplasma.
  • mitochondrion - De cellen die beschouwd worden als energiestation: ze produceren grote hoeveelheden ATP door organische molecules af te breken. ATP brengt energie over naar de cellen.
  • celmembraan - Een lipidemembraan dat de cel omhult.
  • cytoplasma - Een transparante vloeistof; de locatie waar diverse metabole processen in de cel plaatsvinden.
  • endoplasmatisch reticulum - Een complex, onderling verbonden netwerk van membraanblaasjes in de cel. Speelt een belangrijke rol bij de proteïnesynthese, -verwerking, lipidesynthese en het afbreken van bepaalde stoffen.
  • Golgi-apparaat - Speelt een belangrijke rol bij het verwerken van eiwitten.

Dierlijke cel

  • kern - Gemaakt van chromatine, een combinatie van DNA en proteïnen. Dierlijke cellen, planten en schimmels zijn eukaryoten omdat ze een nucleus (kern) bevatten. Prokaryote cellen (bacteriën) hebben geen kern; hun DNA vinden we terug in het cytoplasma.
  • mitochondrion - De cellen die beschouwd worden als energiestation: ze produceren grote hoeveelheden ATP door organische molecules af te breken. ATP brengt energie over naar de cellen.
  • celmembraan - Een lipidemembraan dat de cel omhult.
  • cytoplasma - Een transparante vloeistof; de locatie waar diverse metabole processen in de cel plaatsvinden.
  • endoplasmatisch reticulum - Een complex, onderling verbonden netwerk van membraanblaasjes in de cel. Speelt een belangrijke rol bij de proteïnesynthese, -verwerking, lipidesynthese en het afbreken van bepaalde stoffen.
  • Golgi-apparaat - Speelt een belangrijke rol bij het verwerken van eiwitten.
  • blaasje - Stoffen in de cel worden verpakt in membraanbubbels getransporteerd. Een van de soorten blaasjes vormen de lysosomen waarin bepaalde stoffen worden verteerd en afvalstoffen worden afgebroken.
  • cytoskelet - Speelt een belangrijke rol bij de positionering en beweging van de blaasjes en organellen, en voorziet dierlijke cellen - die geen celwand hebben - van hun structuur en vorm.

Plantaardige cel

  • chloroplast - Fotosynthese vindt hier plaats, d.w.z. de productie van suiker uit koolstofdioxide met behulp van zonne-energie.
  • celwand - Bestaat uit cellulose en dient ter bescherming. Behoudt tevens de celvormige structuur en verstevigt het plantaardige weefsel.
  • vacuole - Plantaardige cellen bevatten doorgaans een vacuole (een kleine bubbel binnenin de cel die gevuld is met kernsap) en fotosyntheserende chloroplasten.
  • kern - Gemaakt van chromatine, een combinatie van DNA en proteïnen. Dierlijke cellen, planten en schimmels zijn eukaryoten omdat ze een nucleus (kern) bevatten. Prokaryote cellen (bacteriën) hebben geen kern; hun DNA vinden we terug in het cytoplasma.
  • mitochondrion - De cellen die beschouwd worden als energiestation: ze produceren grote hoeveelheden ATP door organische molecules af te breken. ATP brengt energie over naar de cellen.
  • celmembraan - Een lipidemembraan dat de cel omhult.
  • cytoplasma - Een transparante vloeistof; de locatie waar diverse metabole processen in de cel plaatsvinden.
  • endoplasmatisch reticulum - Een complex, onderling verbonden netwerk van membraanblaasjes in de cel. Speelt een belangrijke rol bij de proteïnesynthese, -verwerking, lipidesynthese en het afbreken van bepaalde stoffen.
  • Golgi-apparaat - Speelt een belangrijke rol bij het verwerken van eiwitten.
  • blaasje - Stoffen in de cel worden verpakt in membraanbubbels getransporteerd. Een van de soorten blaasjes vormen de lysosomen waarin bepaalde stoffen worden verteerd en afvalstoffen worden afgebroken.
  • cytoskelet - Speelt een belangrijke rol bij de positionering en beweging van de blaasjes en organellen, en voorziet dierlijke cellen - die geen celwand hebben - van hun structuur en vorm.

Celmembraan

  • fosfatidemolecule - Een lipidemolecule; de kop bestaat uit een glycerol en een fosfatisch zuur; de staart bestaat uit twee vetzuurketens. De kop is polair, terwijl de staart niet-polair is. De fosfatidemolecule (of fosfolipide) is dus amfipatisch en heeft de neiging om een dubbele lagen te vormen. Binnen een laag kunnen de fosfatidemoleculen zich vrij rondbewegen, maar ze verlaten de laag zelden. Daarom is het lipidemembraan een tweedimensionale vloeistof.
  • membraaneiwit - Bepaalde proteïnen vormen kanalen door het membraan, terwijl andere eiwitten een belangrijke rol spelen bij het overdragen van chemische signalen tussen de twee zijdes van het membraan.

Kern

  • kernlichaam (nucleolus)
  • chromatine - Bestaat uit proteïnen en DNA dat deze eiwitten omhult. Het DNA bepaalt de genetische eigenschappen van de cel en het organisme dat in deze cellen wordt opgebouwd.
  • kernmembraan - Een dubbel membraan. De buitenste laag is de voortzetting van het endoplasmatisch reticulum.
  • porie - Een proteïnecomplex waarbij de stoffen getransporteerd worden tussen het cytoplasma en de kern (nucleus).

Kernmembraan

  • porievormende eiwitten - Een proteïnecomplex waardoor stoffen getransporteerd worden tussen het cytoplasma en de kern (nucleus).
  • buitenste lipidemembraan - De voortzetting van het endoplasmatisch reticulum.
  • binnenste lipidemembraan

Endoplasmatisch reticulum

  • ruw endoplasmatisch reticulum - Bevat ribosomen die eiwitmoleculen synthetiseren.
  • glad endoplasmatisch reticulum - Speelt een belangrijke rol bij de proteïnesynthese, proteïneverwerking, lipidesynthese en het afbreken van bepaalde schadevolle stoffen.
  • ribosoom - Synthetiseert proteïnemoleculen in de volgorde van het DNA, die gekopieerd wordt naar boodschappersmoleculen (mRNA) in de kern. De membraangebonden ribosomen bevinden zich op het membraan van het ruwe endoplasmatische reticulum. Het produceert eiwitten die buiten de cel gebruikt worden of in het celmembraan worden opgenomen. Losse ribosomen kunnen zich vrij rondbewegen binnen het cytoplasma. Ze produceren proteïnen die gebruikt worden in de cel.
  • kernmembraan - Een dubbel membraan. De buitenste laag is de voortzetting van het endoplasmatisch reticulum.

Golgi-apparaat

  • vormende cis-zijde - Het deel van het Golgi-apparaat dat zich dichter bij de kern bevindt.
  • rijpende trans-zijde - Het deel van het Golgi-apparaat dat verder van de nucleus verwijderd is. Wanneer de eiwitten door het Golgi-apparaat heen gaan worden ze verwerkt en verpakt. Het speelt tevens een belangrijke rol bij het bepalen van de uiteindelijke bestemming van het eiwit. Proteïnen worden door de blaasjes getransporteerd van de vormende cis-zijde naar de rijpende trans-zijde.

Plastide

  • buitenmembraan
  • binnenmembraan
  • granum - Een membraanstructuur, bestaande uit een stapel thylakoïdeschijven.
  • thylakoïde - Ze worden gevormd door de invaginatie (inplooien) van het binnenmembraan. Ze bevatten proteïnecomplexen die een belangrijke rol spelen bij de fotosynthese.

Mitochondrion

  • buitenmembraan
  • binnenmembraan - Het bevat moleculen die een belangrijke rol spelen bij de metabolische processen en bij de productie van ATP.

Chromatine

  • eiwit skelet
  • histonen
  • DNA - Het genetisch materiaal van de cellen. Het bepaalt de genetische eigenschappen van de cel en het organisme dat door deze cellen wordt opgebouwd.

Animatie

  • dierlijke cel
  • plantaardige cel
  • chloroplast - Fotosynthese vindt hier plaats, d.w.z. de productie van suiker uit koolstofdioxide met behulp van zonne-energie.
  • celwand - Bestaat uit cellulose en dient ter bescherming. Behoudt tevens de celvormige structuur en verstevigt het plantaardige weefsel.
  • vacuole - Een bubbel in de cel die gevuld is met kernsap. Speelt een belangrijke rol bij het in stand houden van de interne hydrostatische druk (turgordruk) in de cel, het opslaan van mineralen en het verwijderen van afvalstoffen.
  • kern - Gemaakt van chromatine, een combinatie van DNA en proteïnen. Dierlijke cellen, planten en schimmels zijn eukaryoten omdat ze een nucleus (kern) bevatten. Prokaryote cellen (bacteriën) hebben geen kern; hun DNA vinden we terug in het cytoplasma.
  • mitochondrion - De cellen die beschouwd worden als energiestation: ze produceren grote hoeveelheden ATP door organische molecules af te breken. ATP brengt energie over naar de cellen.
  • celmembraan - Een lipidemembraan dat de cel omhult.
  • cytoplasma - Een transparante vloeistof; de locatie waar diverse metabole processen in de cel plaatsvinden.
  • endoplasmatisch reticulum - Een complex, onderling verbonden netwerk van membraanblaasjes in de cel. Speelt een belangrijke rol bij de proteïnesynthese, -verwerking, lipidesynthese en het afbreken van bepaalde stoffen.
  • Golgi-apparaat - Speelt een belangrijke rol bij het verwerken van eiwitten.
  • kernlichaam (nucleolus)
  • chromatine - Bestaat uit proteïnen en DNA dat deze eiwitten omhult. Het DNA bepaalt de genetische eigenschappen van de cel en het organisme dat in deze cellen wordt opgebouwd.
  • kernmembraan - Een dubbel membraan. De buitenste laag is de voortzetting van het endoplasmatisch reticulum.
  • porie - Een proteïnecomplex waarbij de stoffen getransporteerd worden tussen het cytoplasma en de kern (nucleus).
  • eiwit skelet
  • histonen
  • DNA - Het genetisch materiaal van de cellen. Het bepaalt de genetische eigenschappen van de cel en het organisme dat door deze cellen wordt opgebouwd.
  • porievormende eiwitten - Een proteïnecomplex waardoor stoffen getransporteerd worden tussen het cytoplasma en de kern (nucleus).
  • buitenste lipidemembraan - De voortzetting van het endoplasmatisch reticulum.
  • binnenste lipidemembraan
  • ruw endoplasmatisch reticulum - Bevat ribosomen die eiwitmoleculen synthetiseren.
  • glad endoplasmatisch reticulum - Speelt een belangrijke rol bij de proteïnesynthese, proteïneverwerking, lipidesynthese en het afbreken van bepaalde schadevolle stoffen.
  • ribosoom - Synthetiseert proteïnemoleculen in de volgorde van het DNA, die gekopieerd wordt naar boodschappersmoleculen (mRNA) in de kern. De membraangebonden ribosomen bevinden zich op het membraan van het ruwe endoplasmatische reticulum. Het produceert eiwitten die buiten de cel gebruikt worden of in het celmembraan worden opgenomen. Losse ribosomen kunnen zich vrij rondbewegen binnen het cytoplasma. Ze produceren proteïnen die gebruikt worden in de cel.
  • kernmembraan - Een dubbel membraan. De buitenste laag is de voortzetting van het endoplasmatisch reticulum.
  • vormende cis-zijde - Het deel van het Golgi-apparaat dat zich dichter bij de kern bevindt.
  • rijpende trans-zijde - Het deel van het Golgi-apparaat dat verder van de nucleus verwijderd is. Wanneer de eiwitten door het Golgi-apparaat heen gaan worden ze verwerkt en verpakt. Het speelt tevens een belangrijke rol bij het bepalen van de uiteindelijke bestemming van het eiwit. Proteïnen worden door de blaasjes getransporteerd van de vormende cis-zijde naar de rijpende trans-zijde.
  • fosfatidemolecule - Een lipidemolecule; de kop bestaat uit een glycerol en een fosfatisch zuur; de staart bestaat uit twee vetzuurketens. De kop is polair, terwijl de staart niet-polair is. De fosfatidemolecule (of fosfolipide) is dus amfipatisch en heeft de neiging om een dubbele lagen te vormen. Binnen een laag kunnen de fosfatidemoleculen zich vrij rondbewegen, maar ze verlaten de laag zelden. Daarom is het lipidemembraan een tweedimensionale vloeistof.
  • membraaneiwit - Bepaalde proteïnen vormen kanalen door het membraan, terwijl andere eiwitten een belangrijke rol spelen bij het overdragen van chemische signalen tussen de twee zijdes van het membraan.
  • buitenmembraan
  • binnenmembraan
  • granum - Een membraanstructuur, bestaande uit een stapel thylakoïdeschijven.
  • thylakoïde - Ze worden gevormd door de invaginatie (inplooien) van het binnenmembraan. Ze bevatten proteïnecomplexen die een belangrijke rol spelen bij de fotosynthese.
  • buitenmembraan
  • binnenmembraan - Het bevat moleculen die een belangrijke rol spelen bij de metabolische processen en bij de productie van ATP.

Gesproken tekst

De twee belangrijkste soorten eukaryotische cellen zijn de dierlijke en plantaardige cellen. Vasculaire planten zijn opgebouwd uit organen zoals bladeren. Organen bestaan uit weefsels, die op hun beurt bestaan uit cellen met een gelijkaardige structuur en functie. Deze animatie toont een bladmoescel. Deze cellen vindt men doorgaans terug in bladeren en zijn verantwoordelijk voor de fotosynthese.

Eumetazoanen zijn dieren die bestaan uit organen en weefsels. Deze groep omvat dus ook de mens. Deze animatie toont een menselijke levercel.

Normale plantaardige en dierlijke cellen vertonen een aantal soortgelijke en afwijkende karakteristieken. Beide soorten cellen bevatten een kern (nucleus), endoplasmatisch reticula (een complex netwerk aan membraanblaasjes) en Golgi-apparaten. Ze bevatten cytoskeletten en cytoplasma, die omgeven worden door het celmembraan. Het celmembraan van plantaardige cellen wordt omgegeven door een celwand gemaakt van cellulose. Plantaardige cellen bevatten doorgaans zowel een vacuole (een kleine bubbel binnenin de cel die gevuld is met kernsap) alsook fotosyntheserende chloroplasten.

De kern wordt omgeven door het kernmembraan. Het bevat het kernlichaam waar ribosomen geproduceerd worden. De inhoud van de kern bestaat voornamelijk uit chromatine.

Chromatine bestaat uit DNA dat omhuld is door histonen (eiwitten). DNA codeert proteïnen. Het is dus verantwoordelijk voor de eigenschappen van cellen en het gehele organisme.

Het kernmembraan is een dubbel lipidemembraan. Het bevat poriën die bestaan uit porievormende membraaneiwitten die stoffen transporteren tussen het cytoplasma en de kern.

Het endoplasmatisch reticulum loopt over in de buitenste laag van het kernmembraan. Het ruwe endoplasmatisch reticulum ligt dichter bij de kern. Het oppervlak ervan bevat ribosomen die proteïnemolecules synthetiseren volgens de volgorde die is opgegeven in het DNA, die gekopieerd wordt naar boodschappermoleculen (RNA) in de kern. Het gladde endoplasmatische reticulum speelt een belangrijke rol bij de lipidesynthese en detoxificatie: het breekt giftige en gevaarlijke stoffen af.

De proteïnen die geproduceerd worden door de ribosomen in het ruwe endoplasmatisch reticulum worden verwerkt en 'verpakt' in het Golgi-apparaat. Het speelt ook een belangrijke rol bij het bepalen van de uiteindelijke bestemming van de proteïne.

Het celmembraan bestaat uit fosfolipiden. De kop van een fosfolipidemolecuul is polair, en dus hydrofiel, terwijl de staart niet-polair is, en dus hydrofoob. De hydrofobe delen draaien naar elkaar en duwen het water weg, waardoor een dubbele laag ontstaat. Binnen een laag kunnen de fosfolipidemoleculen zich vrij rondbewegen, maar ze verlaten de laag zelden. Daarom is het lipidemembraan een tweedimensionale vloeistof. Membraaneiwitten in het celmembraan hebben verschillende functies: sommige dienen als kanalen, terwijl anderen dienen als receptoren die signaalmolecules binden.

Chloroplasten zijn belangrijke organellen in plantaardige cellen; ze voeren fotosynthese uit. Ze hebben een dubbel membraan; de plooien van het binnenste membraan vormen thylakoïdeschijven. Deze schijven stapelen zich vaak op elkaar op, wat een grana vormt.

Zowel plantaardige als dierlijke cellen bevatten mitochondria. Deze cellen worden vaak beschouwd als energiestation: ze produceren grote hoeveelheden ATP door organische molecules af te breken. ATP is de molecule die energie overbrengt naar de cellen.

Levende organismen worden gekenmerkt door cellulaire organisatie. Cellen vormen de kleinste eenheden die geclassificeerd worden als 'levend' en worden vaak omschreven als "de bouwstenen van het leven". Cellen maken deel uit van de biologische processen, maar celorganellen op zich vormen geen levend organisme.

Gerelateerde items

De organisatie van genetisch materiaal

In de kern van onze cellen, met een grootte van slechts enkele duizendste millimeters, bevindt zich het bijna 2 meter lange, meervoudig opgerolde DNA.

De structuur van prokaryote en eukaryote cellen

Er zijn twee celbasistypes: prokaryote en eukaryote cellen.

Euglena viridis

Een eencellige die in zoetwater leeft. Ze kan zowel autotroof als heterotroof functioneren.

Fotosynthese

Planten zijn in staat om organische suiker van anorganisch materiaal (kooldioxide en water) te maken.

Grote amoeba

Een heterotrofe protist die in zoet water voorkomt. De vorm ervan verandert voortdurend.

Organisatiegraad onder het niveau van de individuele organen

De animatie toont de organisatie van levende systemen vanaf het niveau van de individuele organen en weefsels tot het niveau van cellen.

Pantoffeldiertje

Een eukaryotische eencellige diersoort die in zoetwateren algemeen voorkomt.

De structuur van eiwitten

De structuur en samenstelling van polypeptideketens beïnvloedt de ruimtelijke structuur van eiwitten.

DNA

Drager van genetische informatie

Meiose

De geslachtscellen zijn haploïde cellen die ontstaan uit diploïde cellen door meiose (tweedelig delingsproces) .

Mitose

De deling van cellen waarbij het aantal chromosomen onveranderd blijft.

Vegetatieve plantenorganen

Deze organen zijn van vitaal belang voor de overleving en ontwikkeling van planten.

Bacteriën (gevorderd)

Bacteriën zijn eencellige organismen zonder celkern. Ze hebben een afmeting van enkele micrometer.

Bladgroen

Chlorofyl is een lichtgevoelig groen pigment in planten. Het absorbeert lichtenergie en speelt dus een belangrijke rol in de fotosynthese.

Granen

Granen zijn soorten grassen gekweekt voor de eetbare granen.

Types transport

Deze animatie toont de actieve en passieve transportprocessen tussen celmembranen.

Bacteriën (kokken, bacillen, spirillen)

Bacteriën komen voor in heel wat verschillende vormen, waaronder bolvormige, staafvormige en spiraalvormige bacteriën.

Bind- en steunweefsel

Bindweefsel omvat los en dicht bindweefsel, vetweefsel, bloed, pees- en botweefsel.

Bloem

De animatie laat de opbouw van een typische bloem zien.

Cellulose (C₆H₁₀O₅) n

Een bestanddeel van de celwanden en vezels van planten.

Fotosynthese (basisniveau)

Planten zijn in staat om organische suiker van anorganisch materiaal (kooldioxide en water) te maken.

Oliemolecuul

Triglyceriden met onverzadigde vetzuren zijn vloeibaar bij kamertemperatuur.

Spierweefsel

De drie soorten spieren in het menselijk lichaam zijn de gladde, de dwarsgestreepte en de hartspier.

Vetmolecuul

Drie verzadigde vetzuurmoleculen die verbonden zijn aan een glycerolmolecuul.

Zaden en kiemen

Eenzaadlobbige planten ontkiemen met slechts één kiemblad, terwijl tweezaadlobbige planten twee kiembladen hebben.

Vergelijking van eetbare en giftige paddenstoelen

Sommige paddenstoelen zijn levensgevaarlijk en kunnen fatale vergiftiging veroorzaken terwijl andere eetbaar zijn en veel gebruikt worden bij het koken.

Virussen

Virussen bestaan uit eiwitten en DNA of RNA, en herprogrammeren geïnfecteerde cellen om zich zo te reproduceren.

Added to your cart.